Gedrag en karakter

Er wordt hierbij uitgegaan van de Zwitserse Gedragsstandaard, het moederland van de Berner Sennenhonden.

"Opmerkzame, waakse, zekere en onbevreesde hond in dagelijkse situaties; goedmoedig en aanhankelijk in de omgang met vertrouwde personen; zelfverzekerd en vriendelijk tegenover vreemde personen. Hij moet een middelmatig temperament hebben en volgzaam zijn."

Middelmatig temperament:

De hond is rustig, niet traag, maar opmerkzaam, geïnteresseerd en beweeglijk. Hij zal niet snel onder de indruk zijn of herstelt zich daarna direct.

Zekerheid:

Hij dient zich bij dagelijkse invloeden, zowel optisch(zichtbaar) als akoestisch(hoorbaar) en tegenover vreemde personen in een normale situatie, onbevreesd en zeker te gedragen.

Aanhankelijkheid:

Hij heeft een sterke binding aan zijn gezin. Als het nodig is verdedigt hij zichzelf, zijn gezin of zijn territorium zonder bijtgraag te zijn.

Volgzaam:

De Berner moet bereid zijn zich te schikken in de rangorde die zijn baas bepaalt, wat dus inhoudt dat hij een ondergeschikte plaats inneemt.

Schot vast:

De hond mag bij het schot opmerkzaam zijn, maar moet zeker en daarna niet onder de indruk zijn.

Het gedrag dat een hond toont, bestaat eigenlijk uit twee dingen: aan de ene kant wat hij in zijn genen van zijn voorouders meekrijgt, aan de andere kant wat hij leert gedurende het eerste gedeelte van zijn leven, dus de manier waarop hij "gehouden" wordt. Daarom is socialisatie vanaf de geboorte zo belangrijk. Nu zouden we zo graag zien, welk gedrag aan zijn genen ligt, en welk hij geleerd heeft. Helaas is dit voor onze waarnemingen niet scherp te onderscheiden, dus bezien we het totale gedrag. De belangrijkste ongewenste gedragingen zijn: angst en agressie.

Vereniging De Berner Sennenhond organiseert per jaar een aantal ras/fokkeuringen waarop o.a. de honden ook op karakter gekeurd worden. Tijdens de test, die uit verschillende onderdelen bestaat zoals tussen de mensen bewegen, een aantal optische voorwerpen, een aantal akoestische voorwerpen en het schot, die tezamen zo goed mogelijk nabootsen, wat de hond ook in het dagelijkse leven ervaart, wordt hij hiermee geconfronteerd. De hond laat door zijn houding en gedrag zien hoe hij op elk onderdeel apart reageert. Uit het totaal van zijn ervaringen kunnen we concluderen of hij in meerdere of mindere mate voldoet aan de gedragsstandaard. Er kunnen natuurlijk gradaties in zijn gedrag zitten ten opzichte van de verschillende onderdelen maar het totaal is belangrijk

Samenvatting:

Zeker voor de fokkerij, maar ook als gezelschapshond, willen we een betrouwbare, sociale Berner hebben die zo dicht mogelijk bij de gedragsstandaard komt, wat we door middel van deze selectieve karaktertest hopen te bereiken.

Nel Dronkers, karakterkeurmeester voor de Berner Sennenhonden.

Rasbeschrijving

Wanneer iemand zegt dat hij 'een' Sennenhond wil aanschaffen, wordt er in negen van de tien gevallen een Berner Sennenhond bedoeld. De Berner is namelijk de meest bekende van de vier Zwitserse Sennenhondenrassen: de Grote Zwitserse, de Berner, de Appenzeller en de Entlebucher Sennenhond, die respectievelijk een gemiddelde schouderhoogte hebben van 65 cm, 64 cm, 54 cm en 45 cm. De Berner is de enige langharige van dit kwartet en met zijn mooie kleuren: glanzend zwart met symmetrische, roodbruine en witte aftekeningen, zijn harmonische bouw en goedmoedige vriendelijke uitdrukking is hij degene die de mensen het meest aanspreekt. De andere drie hebben dezelfde kleuren en aftekeningen, maar met hun veel kortere en vlakke beharing doen zij lang niet zo 'romantisch' aan als de Berner.

Zowel in Zwitserland als in een groot aantal Europese landen en in Amerika is het dan ook de Berner die het meest verbreid is en op vrij grote schaal gefokt wordt.

Gedurende vele eeuwen waren er in Zwitserland grotere en kleinere meer of minder dogachtige honden, die vrij veel op elkaar leken. Het waren boerenhonden die allerlei werk deden, zoals het bewaken van huis en erf, het hoeden, drijven en verdedigen van het vee als dit 's zomers met de sennen - de herders - op de hooggelegen alpenweiden verbleef. Ook vergezelden zij het vee dat naar de markt gebracht werd en, op de 'terugweg', de baas met de goedgevulde beurs. Veelzijdige honden dus, die onder verschillende namen bekend stonden: Bläss of Blässli als zij een mooie witte bles hadden, Ringgi als ze een brede witte kraag hadden, Bärri wanneer ze weinig wit hadden, verder nog Vieräugler naar de bruine vlekjes boven de ogen, waardoor het lijkt of ze vier ogen hebben en Gelbbäckler naar hun bruine (toen meestal nog geel-bruine) wangen. Tegen het eind van de vorige eeuw ontdekte men met schrik dat deze inheemse honden vrijwel verdwenen waren en werd met de wederopbouw van de verschillende slagen begonnen. De Berner werd aanvankelijk Düirrbächler genoemd naar het Dürrbachgebied, ten zuiden van Bern, waar nog de meeste exemplaren werden aangetroffen. In 1908, een jaar na de oprichting van de rasvereniging, werd die naam gewijzigd in de huidige: Berner Sennenhond. Alhoewel de meeste Berners tegenwoordig als huishond gehouden worden, bezitten ze nog die eigenschappen die nodig waren voor het werk dat zij in vroegere tijden verrichten. Ze zijn bijzonder gehecht aan hun mensen en aan hun huis en erf en eventuele andere dieren die daarbij behoren. Dit alles behoort tot hun 'kudde' die zij beschermen en bewaken, waarbij ze, als goede hofhond, pas ingrijpen als daadwerkelijk nodig is. Een goede hofhond mag natuurlijk ook geen allemansvriend zijn en veel Berners zijn dan ook wat gereserveerd en laten zich niet direct door een vreemde aanhalen. Als hun baas echter laat merken dat het in orde is, behoort de hond dit vertrouwen over te nemen.

Op de Nederlandse boerderijen met afgerasterde weiden rondom is er voor een Berner bij het vee niet veel meer te doen. Dan kan het gebeuren, dat hij zijn animo voor hoeden en bewaken op een andere manier uit, zoals door tegen de avond de kippen te verzamelen en naar hun nachthok te drijven. Of, zoals gebeurde bij een boer die siereenden fokte, door iedere vreemde eend in de bijt weg te jagen, waarbij de eigen eenden zich niets van zijn opgewonden gedoe aantrokken.

Angstig, schuw en/of agressief gedrag mag natuurlijk nooit voorkomen. Waaks is de Berner dus wel, maar het is geen overmatige blaffer die aanslaat bij ieder geluidje dat hij in de verte hoort. Hij blaft pas als er iets is dat direct met zijn 'kudde of territorium te maken heeft en houdt op zodra hij zelf of via zijn baas merkt dat het in orde is. Zijn band met zijn terrein maakt dat hij niet gauw op slap gaat in zijn eentje. Met kinderen is hij bijzonder lief en hij zal hen net zo min een haar krenken als de kippen, konijnen en katten die op een boerenerf erbij horen.

In Zwitserland hebben veel kleine dorpjes nog hun eigen Käserei' (waar men overigens heerlijke kaas, room en boter kan kopen) en hier kunnen we ook nu nog s 'avonds tegen zevenen zien hoe Berners of Bernerachtige honden, de karretjes met melkbussen daar naar toe trekken. Zij doen dit werk graag en zonder moeite en ondanks het feit dat de meeste huishonden dit al vele generaties niet meer gedaan hebben merken we, dat we hen dit nog gemakkelijk kunnen leren als we ze bijvoorbeeld voor een slee spannen. Onze Nederlandse winters bieden daar echter helaas niet zo vaak gelegenheid toe. Een eigenschap, die de Berners met de meeste dogachtige berghonden gemeen hebben, is hun eigenwijsheid en zelfstandigheid als zij volwassen zijn.

Dit is niet verwonderlijk als we weten dat dit soort honden vaak geheel alleen de kudden op de bergweiden hoedt en bewaakt en ook naar de weiden en terug naar stal drijft om gemolken te worden. Jaren geleden troffen we hoog op de Tauernpas een Berner teef, die elke dag de kudde alleen naar boven bracht om te weiden en die om klokslag vier uur de dieren weer verzamelde en naar de veel lager gelegen melkstal begeleidde.

Overdag hield ze haar kudde in de gaten, maar amuseerde zich intussen ook met de toeristen als dat zo uitkwam.

Deze neiging tot eigenwijsheid en zelfstandigheid wil bij de Berners nog wel eens problemen geven als er in het eerste jaar te weinig aan hun opvoeding is gedaan omdat hun eigenaars menen dat 'een Berner zichzelf opvoedt'. Er zijn zelfs mensen die juist om deze vermeende eigenschap een Berner Sennenhond kiezen. Iedere hondenbezitter met enige ervaring weet dat dit van geen enkele hond verwacht kan worden. Dit misverstand stoelt echter op een uitsprank van de Zwitserse prof. Heim en dateert van rond 1900, toen de honden nog uitsluitend bij boeren leefden als hofhond en voor het werk bij het vee. Dit werk leerden zij inderdaad spelenderwijs door van jongs af aan met de boer op te trekken, waarbij echter wel degelijk gehoorzaamheid vereist was en ook door de boer gevraagd werd.

Een jonge Berner leert gemakkelijk en graag; eenmaal volwassen gelooft hij het echter wel en maakt dan zelf de dienst uit. Met een kleine variatie op een bekend gezegde is 'Jong niét geleerd is oud niét gedaan' dan ook volkomen van toepassing.

Helaas is de uitspraak van prof. Heim overgenomen in de Nederlandse 'hondenbijbel': Toepoel's Hondenencyclopedie, met als gevolg dat veel van onze landgenoten met hun Berner in de problemen komen als die volwassen is. In het dagelijkse leven met een Berner kunnen er nog allerlei andere eigenschappen opduiken, die hun oorsprong vinden in het werk dat deze honden vroeger deden. Als we gaan wandelen en ergens gaan zitten om te rusten zal de hond zo mogelijk een hoger punt in de buurt opzoeken om daar te gaan liggen of zitten en de directe omgeving in de gaten houden.

Alles wat binnen een bepaalde straal van dit 'territorium' komt, wordt dan waarschuwend aangeblaft. Een hond die anders nooit bromfietsers aanblaft, kan dan echter ook ineens een woedende achtervolging inzetten om een hinderlijk rondcrossende brommer te verjagen als hij merkt dat zijn baas zich daaraan ergert. Het is dan wel zaak om hem voldoende gehoorzaamheid te hebben bijgebracht om hem te kunnen terugroepen, anders kunnen er van deze goede karaktereigenschap, om pas in te grijpen als het nodig is, gemakkelijk ongelukken komen.

Ook een leuke karaktertrek is het attent zijn op ongewone dingen. Zo was er eens een Berner teef, die in de kamer rustig lag te slapen, maar opeens opsprong en naar de keuken holde, waar ze heftig begon te blaffen. Haar bazin ging toen kijken wat haar bezielde en ontdekt, dat het niet veel scheelde of er was brand uitgebroken ten gevolge van een over- en daarna droog gekookte pan. Berners zijn heel gemakkelijke reisgenoten. De meeste houden van autorijden en wagenziekte komt zelden voor. Wie hem meeneemt als hij gaat kamperen zal merken dat de hond het in de tent best gezellig vindt, maar dat hij overdag graag ook ergens vlakbij in de schaduw gaat liggen om alles te kunnen overzien. 's Nachts daarentegen vindt hij dat hij buiten, vlak voor de ingang van de tent, hoort te liggen en dat is een veilig idee. Angst dat hij anderen zal storen door geblaf hoeven we niet te hebben, hij waarschuwt pas als het echt nodig is en dat is vrijwel nooit het geval met zo'n beer voor de deur. Wel moeten we erop bedacht zijn, dat hij 's morgens, zodra hij merkt dat we wakker zijn - waaraan snap je soms niet - naar binnen komt om je onder zijn enthousiaste ochtendbegroeting te verpletteren. Zo'n omhelzing van 50 a 60 kg is dan soms wel wat veel van het goede. Dit gewicht is trouwens iets waar we bij andere gelegenheden ook we! rekening mee moeten houden. Als de hond vrolijk tegen ons opspringt bij een begroeting bijvoorbeeld of tijdens de wandeling in volle galop tegen onze benen aan klettert, want een gentleman is een Berner daarbij beslist niet. Naast deze onbehouwenheid kan hij echter verschrikkelijk aanhankelijk zijn en eindeloos vragen om aangehaald te worden. Menige Berner zit daarbij dan nog graag een keer op schoot, zodat je dan letterlijk en figuurlijk onder zijn liefde bedolven wordt.

Een kennelhond is de Berner beslist niet. Hij moet mee kunnen leven met alles wat er in en rondom gezin en huis gebeurt; alleen zo komt hij tot zijn recht en is hij gelukkig. Bovendien krijgt hij daarbij de kans om de goede eigenschappen die hij in aanleg bezit ook te ontwikkelen. In het buitenland wordt aan deze ontwikkeling veel meer gedaan dan bij ons.

Deelname aan gehoorzaamheidslessen is daar heel normaal en vele Berners hebben al bewezen goede resultaten te boeken bij de opleidingen voor Rode Kruis-, Lawine- en Blindengeleidehonden, evenals bij de proeven voor verdedigingshonden. Toch zijn lang niet alle Berners voor dit laatste geschikt, omdat zij daarvoor vaak de nodige hardheid en het temperament missen. Maar voor wat meer animo van de Nederlandse Bernerbezitters om eens wat met hun honden te 'doen', zouden deze honden beslist dankbaar zijn. Zoals ieder ras heeft de Berner dus ook zijn goede en minder goede en gemakkelijke en minder gemakkelijke kanten. Maar het is wel kenmerkend, dat vrijwel iedereen die eenmaal een Berner gehad heeft er wéér een wil als de hond is overleden. Over trouw gesproken! En in dit geval is die dus wederzijds.

In de standaard wordt de Berner beschreven als een harmonisch en vrij zwaar gebouwde gebruikshond, die zich makkelijk en vlot moet kunnen bewegen. Het hoofd is daarmee in overeenstemming, krachtig met vlakke schedel, met te sterke stop en een middelgroot, in rust vlak tegen bet hoofd hangend, driehoekig oor. Veel minder zwaar en gedrongen dus dan van de St. Bernard.

Het lichaam en de rechte, stevige benen moeten goed bespierd zijn, de lendenen breed. De staart wordt in actie zwevend gedragen. Behalve op het hoofd en aan de voorzijde van de benen is de beharing lang en vlak of licht gegolfd. Zoals al in het begin gezegd, zijn de kleur en aftekening bijzonder mooi en de gewenste vier witte voeten en de witte staartpunt verlenen de hond nog een extra bijzondere charme. Het gebit moet compleet en scharend zijn, een tanggebit wordt getolereerd. In aanleg moet de hond zelfverzekerd zijn, goedmoedig en vriendelijk, met weinig gewenste scherpte, niet angstig en schotvast, met een middelmatig temperament. Om te bereiken dat de goede geestelijke en lichamelijke eigenschappen van het ras behouden en zo nodig verbeterd worden, stelt de rasvereniging bepaalde eisen aan de fokdieren om te kunnen instemmen met de fokkerij en voor bemiddeling van de pups. De honden moeten aan een gedrags- en exterieurkeuring deelnemen en daarbij als voldoende beoordeeld worden. Voorts dienen zij röntgenologisch op heupdysplasie te worden onderzocht waarbij een maatstaf van ten hoogste licht-positief wordt aangelegd.

Overgenomen uit de Hondenwereld, april 1980

Rasstandaard

FCI-standaardnr. 45 d.d. 5 mei 2003

Berner Sennenhond
Dürrbächler


Land van oorsprong

Zwitserland

Gebruik

Oorspronkelijk waak-, drijf- en trekhond op boerderijen, tegenwoordig ook familie- en veelzijdige werkhond.

FCI-classificatie

Groep II, sectie 3. Zwitserse Sennenhond zonder werkcerfiticaat.

Kort historisch overzicht

De Berner Sennenhond is een boerenhond van oude herkomst, die in het vóór Alpengebied en delen van het binnenland in de omgeving van Bern als waak-, trek- en drijfhond gehouden werd.

Naar het gehucht en de herberg Dürrbach bij Riggisberg, waar deze langharige, driekleurige erfhond bijzonder veelvuldig voorkwam, kreeg hij zijn oorspronkelijke naam: "Dürrbächler".

Nadat in 1902, 1904 en 1907 reeds zulke honden op hondententoonstellingen uitgebracht waren, sloten in november 1907 enkele hondenfokkers uit Burgdorf zich aaneen om het ras zuiver te gaan fokken. Zij stichtten de "Schweizerischen DürrbachKlub" en stelden raskenmerken op.

In 1910 werden op een hondententoonstelling in Burgdorf, waar veel boeren uit de omgeving met hun Dürrbächler-honden naar toe kwamen, reeds 107 dieren geëxposeerd.

Van toen af aan verwierf het ras, in navolging van de andere Zwitserse Sennenhonden, voortaan "Berner Sennenhond" genoemd, snel vrienden in heel Zwitserland en spoedig ook in het naburige Duitsland.

Tegenwoordig is de Berner Sennenhond dankzij zijn driekleurige aftekening en zijn aanpassingsvermogen wereldwijd als familiehond bekend en geliefd.

Algemeen voorkomen

Langharige, driekleurige, meer dan middelgrote, krachtige en beweeglijke (lenige) gebruikshond met stevige (robuuste) ledematen; harmonisch en evenredig.

Lichaamsverhouding

Verhouding tussen schofthoogte en lichaamslengte (van boeg tot zitbeen gemeten) ca. 9 : 10; eerder compact dan lang.

De schofthoogte verhoudt zich tot de borstdiepte in het ideale geval als 2:1.

Karakter

Zeker, opmerkzaam, waakzaam en onbevreesd in alledaagse situaties, goedmoedig en aanhankelijk in de omgang met vertrouwde personen, zelfverzekerd en vriendelijk tegenover vreemden; gemiddeld temperament, volgzaam.

Hoofd

Hoofd: Krachtig, in grootte passend bij de totale verschijning niet te massief.

Schedel: in profiel en van voren gezien licht gewelgd. Licht ontwikkelde voorhoofdgroeve.

Stop: duidelijk, maar niet te geprononceerd.

Aangezicht schedel

Neusspiegel: zwart

Voorsnuit: sterk, van gemiddelde lengte, rechte neusrug

Lippen: goed aangesloten, zwart

Gebit: sterk, compleet schaargebit (M3 wordt buiten beschouwing gelaten). Tanggebit toegestaan.

Ogen: donkerbruin, amandelvormig, met goed aansluitende oogleden. Noch te diepliggend, noch uitpuilend, losse oogleden zijn onjuist.

Oren: middelgroot, hoog aangezet, driehoekig, licht afgerond, in rust vlak aanliggend. Bij alertheid wordt het oor achter opgetild, terwijl de voorkant van het oor tegen het hoofd blijft liggen.

Hals

Krachtig, gespierd, middellang

Lichaam

Bovenbelijning: vanaf de hals licht naar beneden, harmonieus in de schoft overgaand, dan recht en horizontaal verlopend.

Rug: Stevig, recht en horizontaal

Lendenen: breed en krachtig, van boven gezien licht versmallend

Croupe: vloeiend afgerond

Borst: breed en diep, tot aan de elleboog reikend, met geprononceerde voorborst; ribbenkast zo lang mogelijk, met breed-ovale doorsnee.

Onderbelijning en buik: van de borstkast tot de achterhand licht oplopend

Staart

Bossig, minstens tot het spronggewricht reikend, in rust hangend, in de beweging zwevend op rughoogte gedragen, of licht daarboven.

Ledematen

Krachtig bone

Voorhand

De voorbenen zijn van voren gezien recht en parallel en staan nogal breed.

Schouder: het schouderblad is lang, krachtig, schuinliggend met de bovenarm een niet te stompe hoek vormend, aanliggend en goed bespierd.

Bovenarm: lang, schuinliggend

Ellebogen: goed aanliggend, noch in-, nog uitdraaiend

Onderarm: krachtig, recht

Voormiddenvoet: van de zijkant gezien bijna loodrecht staand, stevig. Van voren gezien in rechte lijn met onderarm.

Voorvoet: kort, rond met dicht tegen elkaar liggende, goed gewelfde tenen. Noch naar buiten, noch naar binnen draaiend.

Achterhand

Van achter gezien recht en parallel, niet te nauw staand.

Bovenbeen: lang, breed, krachtig en goed bespierd.

Knie: duidelijk gehoekt

Onderbeen: lang, goed schuin liggend

Sprong: sterk, goed gehoekt

Achtermiddenvoet: bijna loodrecht staand. De wolfsklauwen moeten verwijderd zijn (behalve in die landen waar de operatieve verwijdering van de wolfsklauwen wettelijk verboden is).

Achtervoet: iets minder gewelfd dan de voorvoeten. Noch naar binnen, nog naar buigen draaiend.

Gangwerk

In alle gangen ruim uitgrijpende en gelijkmatige beweging. De voorhand vrij en goed uitgrijpend, de achterhand met goede stuwing. In draf van voor en achter gezien bewegen de benen zich in een rechte lijn. 

Beharing

De vacht: lang en glanzend, sluik of licht gegolfd.

Kleur: Diepzwarte grondkleur met diepe, bruinrode brand op de wangen, boven de ogen, aan alle vier de benen en op de borst, en met de volgende witte aftekeningen:

*Zuivere, witte, symmetrische hoofdaftekening. Een bles, die zich over de neus naar beide zijden tot een wangaftekening verbreedt. Deze bles mag niet tot aan de bruine markering boven de ogen reiken en de wangaftekening mag hoogstuit tot de mondhoeken komen.

*Witte, matig brede, doorlopende hals- en borstaftekening.

*Gewenst: witte voeten en een witte staartpunt.

*Toegestaan: kleine witte nekvlek en/of kleine witte aarsvlek.

Grootte

Reuen 64 - 70 cm schofthoogte, ideaal 66 - 68 cm.

Teven 58 - 66 cm schofthoogte, ideaal 60 - 63 cm.

Fouten

Iedere afwijking van voornoemde punten moet als fout worden aangemerkt, waarbij de zwaarte in de juiste verhouding gezien moet worden tot de mate van de afwijking en de invloed daarvan op de gezondheid en het welzijn van de hond.

  • onzeker gedrag
  • onvoldoende bone
  • onregelmatig geplaatste voortanden, terwijl de beet correct blijft
  • het ontbreken van andere tanden dan ten hoogste tweemaal P1(premolaren); de M3 blijft buiten beschouwing
  • De vacht:
    • Uitgesproken kroeshaar
    • Aftekenings- en kleurfouten:
      • geen wit in het hoofd
      • te brede bles en/ of wit op de wang dat duidelijk over de mondhoek reikt
      • witte kraag
      • grote witte nekvlek (meer dan 6 cm)
      • wit op de voorbenen, dat duidelijk boven de middenvoet uitkomt (laarzen)
      • storende asymmetrische witte aftekening op het hoofd of de borst
      • zwarte vlekken of strepen in het wit op de borst
      • onzuiver wit (sterke pigmentvlekken)
      • een rode of bruine glans over de zwarte mantel

diskwalificerende fouten

  • agressieve of overmatig angstige honden
  • honden die een duidelijke fysieke- of gedragsafwijking hebben moeten gediskwalificeerd worden
  • gespleten neus
  • voorbeet, bovenvoorbeet, kruisgebit
  • Één of twee blauwe ogen (Birkauge)
  • Entropion, ectropion
  • knikstaart of krulstaart
  • kort haar of stokhaar
  • kleur anders dan tricolor
  • andere grondkleur dan zwart

NB Reuen moeten twee normaal ontwikkelde testikels bezitten, die zich volledig in het scrotum bevinden.

NB Voor de fok mogen uitsluitend functioneel en klinisch gezonde, rastypische honden gebruikt worden.

De Nederlandse vertaling van de Zwitserse rasstandaard